Het is voor de officier van justitie van belang om een zo compleet mogelijk beeld van de geestvermogens van de verdachte te verkrijgen, zodat hij tijdens de rechtszitting kan motiveren in hoeverre het strafbare feit aan de verdachte kan worden toegerekend en kan beargumenteren welke sanctie het beste past bij de omstandigheden van de concrete strafzaak.
Voorwaarden opleggen tbs-maatregel
Specifiek kan er alleen een tbs-maatregel worden opgelegd als er voldoende aanwijzingen zijn dat de verdachte ten tijde van het delict leed aan een stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Bovendien moet de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van de samenleving oplegging van een tbs-maatregel eisen. Dit betekent dat er gevaar van de verdachte uit moet gaan. Een tbs-maatregel kan worden opgelegd als de rechter van oordeel is dat deze sanctie nodig is om dit gevaar af te wenden.
Gedragsdeskundig onderzoek
Als er vermoedens zijn van het bestaan van een stoornis of een gebrekkige ontwikkeling bij een verdachte van een ernstig misdrijf, vindt er gedragsdeskundig onderzoek plaats om een goed beeld te krijgen van zijn geestvermogens.
In eerste instantie wordt een verdachte ambulant onderzocht. Dit gebeurt meestal door een psychiater en een gedragsdeskundige van een andere discipline (vaak een psycholoog), omdat een dubbelrapportage nodig is om tbs-maatregel te kunnen opleggen. Een verdachte is niet verplicht om mee te werken aan dit onderzoek. Hij kan medewerking weigeren. In dat geval rapporteren de deskundigen over de reden van weigering.
De rechter-commissaris kan bevelen dat de verdachte klinisch wordt geobserveerd in het Pieter Baan Centrum (PBC) als hij medewerking aan ambulant gedragsdeskundig onderzoek weigert. In het PBC wordt de verdachte gedurende zeven weken geobserveerd. Tijdens deze observatie wordt een zo compleet mogelijk beeld verkregen van zijn geestvermogens. Er wordt onder andere geprobeerd relevante (behandel)gegevens op te vragen bij behandelaren waar hij in behandeling is (geweest). Deze informatie kan alleen worden verkregen als de verdachte toestemming voor verstrekking van deze gegevens geeft. Als hij dit weigert, blijven de behandelgegevens bij de behandelaar. Ook kan de verdachte gedragsdeskundig onderzoek in de klinische setting weigeren.
Beslissing officier van justitie na onderzoek
Na het gedragsdeskundig onderzoek, dan wel klinische observatie, wordt een gedragsdeskundige rapportage over de geestvermogens van de verdachte verstrekt aan de officier van justitie. Op basis van dit rapport maakt hij de afweging of er voldoende informatie over de persoon van de verdachte beschikbaar is om de strafzaak op een passende manier af te doen. De officier van justitie kan tot de conclusie komen dat het voor de veiligheid van de samenleving nodig is om aanvullende behandelgegevens op te vragen. In dat geval kan de officier van justitie besluiten een last te verstrekken aan de AGWO, waarin hij vermeldt bij welke instelling of behandelaar gegevens over de verdachte moeten worden opgevraagd. Dit kan alleen als de verdachte klinisch is geobserveerd in het PBC.
Advisering door AGWO
De AGWO verzamelt vervolgens alle beschikbare behandelgegevens en adviseert de officier van justitie binnen dertig dagen over de bruikbaarheid van de verkregen gegevens in relatie tot de aanwezigheid van een gebrekkige ontwikkeling of stoornis van de geestvermogens van de verdachte tijdens het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt verdacht. Op de pagina Over de AGWO leest u meer over de taak en de werkwijze van de AGWO.
Rechterlijke machtiging
Als de officier van justitie op basis van het advies van de AGWO van mening is dat de gegevens bruikbaar zijn voor de strafzaak, dient hij een vordering in bij de penitentiaire kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Alleen als deze kamer tot het oordeel komt dat verstrekking van de gegevens aan gedragsdeskundige rapporteurs proportioneel en noodzakelijk is, wordt een machtiging afgegeven. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open voor zowel de verdachte als het Openbaar Ministerie.
Aanvullende gedragsdeskundige rapportage
Zodra de AGWO bericht van de officier van justitie ontvangt dat de verleende machtiging onherroepelijk is geworden, verstrekt de AGWO de bruikbaar bevonden gegevens aan de rapporteurs. Dit zijn in principe de gedragsdeskundigen die de verdachte eerder hebben onderzocht bij het PBC. Zij schrijven een aanvullende rapportage over de geestvermogens van de verdachte, op basis van de additionele gegevens. Dit rapport wordt in de strafzaak gebruikt om een beslissing te nemen over de mate waarin het strafbare feit aan de verdachte kan worden toegerekend en om een passende sanctie op te leggen.